Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email

In de afgelopen maanden trof ik namens enkele beleggers schikkingen met  effecteninstelling. ‘Klagers’ hadden grotendeels gelijk, maar een minnelijke schikking was toch de beste oplossing. Omdat schikkingen ‘geheim‘ zijn zal ik, geanonimiseerd, enkele punten uit de onderhavige cases naar voren brengen, die voor u als lezer in het heden of de toekomst relevant kunnen zijn.

Een drietal zaken handelden over beleggers die reeds waren overleden. De gemene deler in alle zaken was dat het overlijden in 2008 / 2009 plaats had. De erven werden geconfronteerd met een portefeuille, die fors in waarde was gedaald (in een geval gehalveerd). In alle gevallen betrof het beleggers op leeftijd (80+). Eigenlijk waren het geen echte beleggers. Meer spaarders. Daarbij had deze generatie nog een rotsvast vertrouwen in de banken. Dit gold ook voor onderhavige beleggers.

De executeur, of erfgenamen vroegen mij of de bank haar zorgplicht had geschaad. De eerste moeilijkheid bij dergelijke gevallen is dat de belegger niet meer naar bepaalde feiten en omstandigheden kan worden gevraagd. Het is dus lastig de door de klager gebezigde stellingen te bewijzen. Vaak kunnen zij hooguit aannemelijk worden gemaakt. Doorgaans werd ook niet voor de erfgenamen belegd. Wat dus uitermate vreemd lijkt voor de erven, zou een weloverwogen keuze geweest kunnen zijn door de belegger. Een hogere aanvulling, vanuit de beleggingen, op het huidige (pensioen)inkomen, loopt immers in de pas met een hoger risico.

De 3 gevallen worden, hierna A, B en C genoemd.

Bij A was veel te zwaar belegd in een complexe obligatiestructuur. Het gewicht betrof tientallen procenten van de obligatieportefeuille. Objectief is dan vast te stellen, met of zonder goedvinden van de belegger, dat dit gewicht excessief was. De obligatiestructuur betrof de debiteur Lehman Brothers. Door het faillissement gingen honderdduizenden euro’s in rook op. Het was niet het zich openbarende risico (faillissement), waarover werd geklaagd. Een dergelijk risico kan zich ook bij zeer defensieve portefeuilles voordoen.

Hiervan wordt in jurisprudentie gesteld dat het “een feit van algemene bekendheid” is dat aan beleggen risico’s zijn verbonden. Het debiteurenrisico is hier één van. De klacht spitste zich toe op het gewicht van de debiteur in het algemeen en de specifieke complexe structuur van dit product, dat voor beleggers met die achtergrond ondoorgrondelijk moet zijn geweest, in het bijzonder. De schade door het faillissement is een gevolgschade van een verkeerd advies. Uiteindelijk erkende de bank dit ook gedurende de procedure bij KiFiD, waarna alsnog werd geschikt.

In geval B was de portefeuille grotendeels belegd in perpetuele leningen. Toen de belegger kennis kreeg dat deze leningen een fors hoger risicoprofiel hadden, dan hij wenste verkocht hij het grootste deel van deze leningen. De RBS perpetuele lening keerde zelfs al geen rente meer uit. Kort na de verkoop overleed de belegger. Na onderzoek van het dossier waren er genoeg aanknopingspunten een procedure te starten. Nadat de bank hier zelf ook vrij snel schuld erkende, was een schikking relatief makkelijk gerealiseerd.

Geval C was heel complex. De portefeuille muteerde van een aantal bankbrieven in 2001 tot een portefeuille die geheel bestond uit garantiestructuren (die voor een groot deel van het rendement afhankelijk waren van de aandelenmarkten), eeuwigdurende leningen en zelfs zogenaamde CDO’s. Tegen de successiekoersen van einde 2008 had de portefeuille een zeer forse waardedaling doorgemaakt. De Executeur handelde de erfenis af, maar die beleggingsportefeuille bleef knagen.

De bank kwam maar mondjesmaat met verantwoording en antwoorden over het door de jaren heen zo veranderde beleggingsbeleid. Uiteindelijk werd een klacht ingediend bij het KiFiD. Aan het eind van de procedure bleek de executeur een dergelijke klacht niet namens de enige erfgenaam te mogen indienen. De enig erfgenaam was een goede doelenstichting. In de zin van het Kifid reglement dus geen particulier. De klacht was derhalve niet ontvankelijk. Uiteindelijk, mogelijk door het risico van forse reputatieschade, kwam de bank alsnog met een genereuze schikking over de brug.

Wat zijn de belangrijkste lessen, die uit deze casuïstiek te trekken zijn?

-Ouderen hebben een rotsvast vertrouwen in hun bank. Het kan geen kwaad met hen mee te kijken naar de portefeuille of hen bij te staan in ‘revisiegesprekken’, om te beoordelen in hoeverre de bank dat vertrouwen niet schaadt;

-Wees attent wie namens de erflater de klacht kan en mag indienen;

-Een klacht moet tijdig worden ingediend. In een dergelijke situatie gelden verzachtende omstandigheden;

-Geef niet te snel op in de zoektocht naar relevante documenten uit het beleggingsdossier. De bank moet ook documenten kunnen aanleveren. Zelfs zonder documenten is er vaak nog een goede casus te bouwen;

-Een faillissement van een debiteur is op zich geen reden om een klacht op te bouwen. Dit wordt anders indien een deskundig en bekwaam handelend adviseur een dergelijk advies nooit had mogen geven.

Jos Leeser
www.blackswanconsultants.nl

Dit bericht delen
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *